Brumby

brumby paarden

De Brumby is voor Australië een nationale trots, maar ook een reden van zorg. Dit wilde paardenras ontstond uit overzeese werkpaarden, die in de 19e eeuw aan hun eigenaren ontsnapten. Maar ze zijn zo succesvol in overleven, dat de populatie enorm is gegroeid.

Door hun lange geschiedenis zonder mensen is dit sobere, intelligente en zelfstandige ras geen gemakkelijke om te trainen. Daarom is de vraag naar de Brumby als rijpaard nihil. Maar de grote groepen paarden veroorzaken geregeld overlast in de menselijke maatschappij.

Is dit wilde paard dan nooit door mensen gebruikt?

En hoe ziet het ras er eigenlijk uit?

Lees hier alles over de Australische Brumby.

Achtergrond van de Brumby

De Brumby is het nationale wilde paardenras van Australië. Men gaat ervan uit, dat de huidige populatie afstamt van de gebruikspaarden die eind 18e eeuw meegenomen werden door Britse kolonisten. De oorspronkelijke bevolking van dit continent, de Aboriginals, hadden namelijk geen paarden.

Maar Australië is een zeer uitgestrekt landschap, en de Britten waren druk om strafkoloniën op te zetten waar Britse gevangenen naartoe gedeporteerd konden worden. Daar hadden ze de sterke ruggen van vee voor nodig, veelal paarden en koeien.

De vaarreis vanuit Groot-Brittannië nam echter bijna een jaar in beslag. Daarom werden eerst sterke, sobere paarden uit Zuid Afrika naar Australië gebracht, ‘Capers’ genaamd. Later voegde men hier Engelse volbloeden, Arabische volbloeden en Welsh pony’s aan toe.

Dit zijn de voorouders van het huidige Australische paard. Begin 19e eeuw trokken steeds meer Australiërs landinwaarts om goud te zoeken, waarbij hun lastpaarden nog wel eens ontsnapten. Zij vormden de eerste Brumby’s.

Ook mogelijk, is dat de afkomst van dit ras teruggaat naar eind 18e eeuw. Het verhaal gaat dat pionier en paardenfokker James Brumby zijn kudde vrij liet toen hij op expeditie vertrok met het leger. Deze paarden verwilderden, om zo de Brumby’s te worden.

Ondanks het harde klimaat op dit uitgestrekte continent, heeft dit paardenras weten te floreren. Halverwege de 19e eeuw werden ze zelfs een plaag voor de akkerbouw, waarbij vele duizenden paarden afgeschoten zijn.

Ook tegenwoordig zijn er nog veel wilde Brumby’s te vinden. Het management van deze wilde populatie is een onverminderd punt van discussie, omdat de kuddes zich snel uitbreiden en er bijna geen vraag is naar de Brumby als gebruiksdier.

Uiterlijke kenmerken

Door de verwildering van het ras, komt de Brumby in veel variëteiten voor. Ze zijn sober, intelligent en hebben een flink uithoudingsvermogen.

Typerend is hun sterk aanwezige onderhals, koehakkige stand van de achterbenen en overbouw. Bij een overbouwd paard staat het hoogste deel van de achterhand (kruis of croup) hoger dan de schoft. Hierdoor oogt het paard van voor naar achteren oplopend.

Deze opvallende bouw is mogelijk het gevolg van inteelt tussen de loslopende paarden, waardoor een slecht fokproduct ontstond. We zien dan ook dat getrainde Brumby’s niet goed tot hun recht komen in de sport- en rijwereld.

De benen zijn hard en droog, met sterke, kleine hoeven.

De vacht is glad en komt voor in alle verschillende kleuren. Zo zien we bruine, zwarte, witte, valkgekleurde maar ook veel bonte Brumby’s.

Gezien hun maat, is dit paardenras officieel een pony. De stokmaat is namelijk tussen de 1.40m en 1.50m hoog. Ze wegen rond de 450 kilo, afhankelijk van geslacht en lichaamsbouw.

Karaktereigenschappen van de Brumby

Van nature is de Brumby een goedmoedig type. Ze zijn echter in de afgelopen eeuwen compleet verwilderd en dus niet gemaakt voor de omgang met mensen. Hierdoor zijn ze zelfstandig en niet mensgericht.

Dit betekent dat ze zelfs na training niet heel gewillig zijn om te voldoen aan de wensen van de mens. Hierbij is het des te belangrijker oog te hebben voor het karakter en de wensen van je paard, en samen te werken.

Verzorging en gezondheid

Dit ras is gewend aan het hete, droge en barre klimaat van uitgestrekte vlakten. Maar vooral in de koele, steile bergen en heuvels van de Australische Alpen zijn veel Brumby’s te vinden.

Dit betekent, dat het ras zich zo ontwikkeld heeft dat het goed kan overleven in zowel koude als hete gebieden. Hoog op de bergweides, maar ook op de karige steppen heeft de Brumby zijn draai gevonden.

Door de druk van de elementen overleefden alleen de sterkste paarden. Daarom is het ras zeer efficiënt met voedsel en gebouwd op een sober leven in de natuur.

Ze staan bekend om hun harde, stevige hoeven, die hen moeiteloos over uiteenlopende ondergronden brengen.

Als rij- of werkdier neemt dit paard zijn wilde eigenschappen met zich mee. Ze mankeren niet snel iets, al is passende voeding een belangrijk aandachtspunt. Dit paard wordt snel dik van het calorierijke voer dat de meeste gebruikspaarden krijgen.

Hierdoor ligt ook secundaire problematiek zoals hoefbevangenheid, diabetes en Equine Metabolic Syndrome (EMS) op de loer.

De Brumby en training

Door vele jaren afgezonderd te zijn van de mensen, is de Brumby een officieel verwilderd paardenras. Hierdoor is de training van dit paard erg moeilijk en bestaat er weinig vraag naar de Brumby als rijpaard.

Toch zijn er verschillende organisaties in Australië die zich toespitsen op het gebruik van dit ras. De populatie moet namelijk geregeld ingeperkt worden om overpopulatie te voorkomen. Deze paarden belanden vaak in de vleesindustrie.

De organisaties verzetten zich hiertegen en hebben rehoming centra opgezet om de Brumby’s tam en berijdbaar te krijgen. Dit kost veel tijd en moeite. De getrainde paarden worden vervolgens verkocht als gebruiks- en rijpaard.

Het ras heeft al eerder dienst gedaan voor de mens, na zijn officiële verwildering. Tijdens de Boerenoorlog aan het einde van de 19e eeuw en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden zoveel mogelijk Brumby’s gevangen en ingezet als oorlogspaard. Na de oorlogen werden de overlevende paarden weer terug in het wild geplaatst.

Door zijn lange geschiedenis met het continent wordt het ras gekoesterd door de Australiërs. Maar omdat de paarden zich zo ontzettend snel voortplanten, blijft het een uitdaging om goed management voor deze populatie te vinden.

Dit bezorgt veel mensen gemengde gevoelens: zowel betrokkenheid als wanhoop, door de overlast die de dieren kunnen veroorzaken aan de menselijke maatschappij.