Konik

konik

De Konik is al jarenlang een bekend gezicht in Nederland. Dit oerpaardje wordt grotendeels ingezet als grote grazer in onze natuurgebieden en maar weinig gezien in de paardensport.

Door zijn sterke verwantschap aan de uitgestorven wilde Tarpan, werd de Konik jarenlang gebruikt om weer een echt wild paard terug te fokken. Omdat dit ras de kneepjes van het vak in de vrije natuur nog lang niet verleerd was, werd dit een succes.

In tegenstelling tot de meeste wilde paardensoorten is de Konik vriendelijk naar mensen en meegaand in de training. Ze zijn sober, gezond en hebben maar weinig onderhoud vanuit de mensenhand nodig.

Lees hier de belangrijkste feiten van dit bijzondere ras.

Achtergrond van de Konik

Oorspronkelijk is de Konik een paardenras uit Polen. Ze worden daarom ook wel de Koniki Polski  (‘Poolse paarden’) genoemd. De naam komt voort uit het woord kón, wat ‘paard’ betekent.

Vroeger leefde in Oost Europa een wild paardenras, de Tarpan. In 1770 werden deze paarden door een Poolse graaf samen gebracht in een wildpark, om ze van de ondergang te behoeden. De soort werd namelijk bedreigd, omdat hun vlees zeldzaam, maar zeer populair was.

Dit park werd echter in 1806 gesloten, waarna de paarden werden verdeeld onder de boeren in de buurt.

Deze boeren hadden voornamelijk inheemse, rasloze werkpaarden op hun bedrijf. Na de komst van de Tarpans werd hier intensief mee gekruist, om vruchtbare nakomelingen te produceren. Hier kwam een halfwild paardje uit voort:

De Konik.

De raszuivere Tarpan verdween steeds meer uit beeld. Helaas stierf het laatste exemplaar van deze soort in 1887, waardoor ze officieel uitgestorven raakten.

In de jaren hierna zette Poolse wetenschappers een programma in werking om de Tarpan ‘terug’ te fokken. Het paard wat hier het meest geschikt voor was, bleek het semi-wilde Konik paard te zijn.

Door hun verwantschap had dit ras sterke overeenkomsten met het uitgestorven oerpaard. Ze waren klein, gezond en robuust met typische wildkleuren in de vacht.

Hiernaast beschikten ze nog steeds over allerlei strategieën voor een leven in de natuur. Hun vacht, verteringsstelsel en gedrag waren vol zelfbescherming en zelfbehoud.

Vandaag de dag zien we dit nog steeds terug bij de Koniks. Ze worden hier en daar als rij- en arbeidspaard gebruikt, echter zien we ze vaker als natuurlijke grazers in vrije gebieden.

Lees ook: Het Friese paard

Uiterlijke kenmerken

De Konik is een klein, maar sterk gebouwd ras.

Het hoofd is lang en breed, met rechte neusbrug, brede kaak en kleine oren. De ogen staan kalm en zijn donker van kleur.

De hals is breed en kort, en loopt over in een korte, stevige rug en iets oplopende, gespierde achterhand. De benen zijn kort en droog, de hoeven klein en sterk.

De vacht is dik en heeft ’s winters een flinke laag onderwol. Doorgaans komt deze in wildkleuren voor, die kunnen variëren tussen geelvaal, muisgrijs, wildbruin en blauwvaal. Het ras heeft bijna altijd een donker gekleurde aalstreep van schoft tot staartaanzet over de ruggengraat lopen.

Ook ziet men vaak donkergekleurde uitlopers op de onderbenen. Ook donkere kleuring bij de snoet komt voor, die helemaal door kan lopen tot de schoft en borst.

Soms komen er oerpaard-typische, donkere zebrastrepen voor op de onderbenen.

De manen en staart zijn stug en dik, samengesteld uit twee kleuren. Een lichte, blond-witte kleur en een donkerbruin of zwart deel dat voortkomt uit de aalstreep.

De schofthoogte is gemiddeld 1.32 m. De Konik weegt zo’n 350 tot 400 kilo.

Karaktereigenschappen van de Konik

Ondanks zijn wilde achtergrond is de Konik een gelijkmatig, rustig paard. Wat verwantschap betreft, komen ze met de Tarpan alleen in lichaamsbouw en kleur overeen.

De Tarpan was fel, koppig en onbuigzaam, soms zelfs tegendraads. We zien dit meer met wilde paardachtigen, zoals de zebra en de ezel.

De Konik kan echter wat betreft karakter niet verder weg zitten van de Tarpan. Ze zijn werkwillig, vriendelijk en vergevingsgezind in de training. Ook kunnen ze gemakkelijk veel werk verzetten, waar ze dan ook absoluut niet te beroerd voor zijn.

Verzorging en gezondheid

De reden dat de populatie van dit ras aan het begin van de 20e eeuw werd uitgebreid, is dat men terug wilde fokken richting het wilde, Euraziatische oerpaard. Hierdoor is de Konik nooit geselecteerd op eigenschappen die belangrijk waren voor de mens.

Om deze reden is zijn taaiheid en sobere instelling behouden gebleven. Ook heeft de Konik weinig tot geen last van de aandoeningen die andere, meer gebruiksgerichte rassen aan de fokkerij hebben overgehouden.

Dit maakt de Konik een gezond ras. Ze zijn efficiënt en sober in hun verteringsstelsel, zeer vruchtbaar en bereiken vaak hoge leeftijden.

Ze hebben weinig onderhoud nodig en kunnen het gehele jaar door buiten staan. Vaak zien we deze paarden dan ook terug als natuurlijke grazers in natuurgebieden, om zo de flora onder controle te houden.

De Konik en training

In 1982 werd de eerste kudde Koniks in Nederland geplaatst, op het Groningse landgoed de Ennemaborg. De nazaten van deze paarden, die het ontzettend goed leken te redden in het semi-wild, zijn verspreid over meerdere Nederlandse naturugebieden.

Voorbeelden hiervan zijn het Groningse Bourtange, Lauwersmeergebied, Westerbroekstermadepolder en natuurlijk de Flevolandse Oostvaardersplassen. Ook vindt men Koniks in het Zeelandse Goudplaat, de Gelderse Poort en de Zandvoortse duinen.

In Nederland worden ze amper verkocht voor gebruik door de mens. Wel zie je hier en daar wat sobere of kleinere rassen die gekruist zijn met deze oerpony’s.

Door hun werkwilligheid is de Konik in de training overal wel voor te porren. Het beste zijn ze echter in heerlijk lange buitenritten, zoals een wild paard van nature vele kilometers probleemloos aflegt.

Lees ook: Koninklijk Warmbloed Paard Nederland (KWPN)