Een paard optuigen

paard optuigen

Je paard optuigen is een belangrijk onderdeel van het paardrijden. Zit je tuig niet goed? Dan kan dit effect hebben op de training en gezondheid van je paard.

Maar al die riempjes.. waar moet je beginnen?

Hoe zorg je ervoor dat het zadel en hoofdstel juist geplaatst zijn?

En hoe strak moet alles eigenlijk zitten?

Lees hier alles over de juiste manier van een paard optuigen.

Hoe moet je een paard optuigen?

Een paard optuigen voor het rijden moet goed gebeuren. Wanneer het zadel niet correct geplaatst is of het hoofdstel te strak zit, kan dit vervelende gevolgen hebben.

Zowel voor je training, als voor je paard!

Al vele honderden jaren gebruiken we harnachement om op ons paard te blijven zitten en te sturen. De paardenvacht is namelijk glad, het dier zeer wendbaar. En dat hoofd zit zo ver weg!

Het zadel is ontworpen om steun te geven aan de ruiter en de druk van zijn lichaam te verdelen over de rug van het paard.

De ruiter zit namelijk gelijk op de ruggenwervels, waar belangrijke zenuwbanen doorheen lopen. Deze sturen alles in het lichaam van het paard aan.

Dus we moeten hier zuinig mee zijn.

Met het hoofdstel kunnen we de richting van het hoofd, en daarmee de koers van het paard bepalen.

Hiernaast kan men met de juiste druk de hoofd-hals houding beïnvloeden. Dit biedt ondersteuning voor een correct ruggebruik, om het paard zichzelf en de ruiter te kunnen laten dragen.

Volgorde van een paard optuigen

Voordat we het tuig aanbrengen, moeten we er zeker van zijn dat de vacht van het paard vrij is van nattigheid, zand en vuil. Een droge, schone vacht op de tuigplekken voorkomt schuur- en broeiplekken.

Om deze reden wordt het paard vaak aan het halster vastgezet voor een lekkere poetsbeurt. Wanneer het paard schoon is, kan het tuig aangebracht worden.

Een paard optuigen doen we doorgaans in dezelfde volgorde.

Allereerst zadelen we het paard op. Eerst het hoofdstel omdoen brengt namelijk wat praktische problemen met zich mee.

Wanneer het paard eerst het hoofdstel om krijgt, heb je de kans dat hij wegwandelt. Het is namelijk niet de bedoeling dat een paard aan het hoofdstel vastgezet wordt. Schrikt het paard, dan zit hij erg strak vast en kan zich lelijk bezeren.

Om deze reden hebben we het halster.

Hiernaast kan het paard tijdens het opzadelen met zijn hoofdstel gaan rommelen. Schuren langs het hek, teugels die over de nek heen op de grond vallen: we hebben het allemaal zien gebeuren.

Daarom is het handig als laatste het hoofdstel in te doen.

Je paard opzadelen

Je paard optuigen begint dus met het zadel opleggen. Het opzadelen kent drie stappen: het zadeldek, het zadel en de singel.

1. Zadeldek

Allereerst brengen we het zadeldek aan op de rug. Leg deze een handlengte voor de schoft neer, op de nek.

Vervolgens breng je hem met een glijdende beweging naar achter, tot de voorkant van het dek boven de schoft zit. Hiermee strijk je vachtharen plat en in de juiste richting.

Dit voorkomt schuren.

Vervolgens controleer je of het zadeldek recht zit. Dit doe je door voor het paard te gaan staan en de lengte van het dek aan beide kanten te vergelijken.

Ook wordt het midden van het zadeldek soms aangegeven met een gestikte lijn. Deze moet netjes over de ruggengraat lopen.

2. Zadel

Hierna kan het zadel aangebracht worden. Til deze boven de rug van je paard en kantel het iets naar voren. Hierdoor zullen de rondingen van de zweetbladen eerst om het paard heen glijden, de achterkant volgt als laatste.

Het zadel moet zo op het dek gepositioneerd worden, dat er aan de voorkant 3 vingers dek zichtbaar zijn.

Omdat het dekje nog op de schoft ligt, schuif je na het plaatsten van het zadel het geheel iets naar achter. Hierdoor glijdt het zadel gemakkelijker in een natuurlijke positie op de rug.

Door het naar achter schuiven, komt de schoft vrij en zal het dekje of zadel daar niet gaan knellen of schuren.

Vervolgens controleer je de ligging van het zadel.

Ga bij de voorkant van het zadel staan, naast het paard. Volg met je vingers het achterste deel van het schouderblad.

Word je in deze vloeiende lijn door de onderzijde van het zadel tegengehouden? Dan moet dit iets naar achter worden geplaatst.

De schouder moet namelijk vrij kunnen bewegen. Ook controleer je aan beide zijden of het zadel recht ligt en er geen zweetbladen of riempjes dubbel zitten.

3. Singel

Wanneer het zadel goed zit, ga je deze vastzetten met de singel. Maak de singel op de laatste gaatjes van de singelstoten vast. Eerst aan de rechterzijde van het zadel, dan aan de linker.

Zorg er altijd voor dat er een handbreedte tussen de voorbenen en de singel zit. Hiernaast moet je altijd waakzaam zijn op eventuele huidplooien die bekneld kunnen raken, wanneer je aansingelt.

Hoeveel gaatjes je moet aansingelen om het zadel stevig op zijn plaats te houden, hangt af van het type zadel, de lengte van de singel, de singelstoten en de bouw van je paard.

Het aansingelen moet echter gelijkmatig en op een rustig tempo gebeuren. Te hard of snel aansingelen kan voor pijn, onrust en vervolgens singelnijd zorgen bij je paard.

Singel dus steeds aan met één, maximaal twee gaatjes tegelijk en doe dit gelijkmatig aan iedere kant.

Zorg ervoor dat het zadel goed blijft zitten, maar singel pas voor de laatste keer aan voordat je opstijgt. Je paard heeft dan ook al wat gelopen, wat een paar gaatjes kan schelen.

Een paard is goed aangesingeld wanneer er twee vingers tussen de singel en de buik in passen.

Een laatste check

Nu je paard is opgezadeld, is het tijd voor de laatste check. Want zodra je paard het hoofdstel om heeft, kun je hem om veiligheidsredenen beter niet meer loslaten.

Zit het zadel goed en recht? Is het hoofd van je paard goed schoon? Het hoofdstel kan pas aangebracht worden als er geen zand en vuil meer tussen de haren zit.

Check ook jezelf even. Zijn je laarzen al aan en zit je cap op? Liggen je zweepje of handschoenen binnen handbereik?

Hoofdstel bij je paard omdoen

Een paard optuigen is doorgaans niet compleet zonder het hoofdstel om te doen. Dit kent zes stappen: de teugels, het bit, de frontriem, de keelriem, de neusriem en de sperriem.

1. Teugels

Doe het halster van je paard af en haal vervolgens alleen het achterste deel (dus niet de neusriem!) over zijn hoofd, tot om zijn nek. Op deze manier staat je paard met de brede halsterriem vast, maar is het hoofd vrij om het hoofdstel om te doen.

Laat je paard hier nooit aan staan zonder begeleiding. Je mag nu dus niet meer weglopen.

Houd het hoofdstel vast aan het kopstuk, het bovenste riempje van het geheel. Controleer of alle riempjes recht naar beneden hangen, zodat je paard geen leer in zijn oog krijgt bij het omdoen.

Houd het hoofdstel zo, dat de frontriem en neusriem van je af bollen. Zo staat hij klaar voor het paardenhoofd. Pak vervolgens de teugels en kijk of deze niet gedraaid zitten.

Ga links naast je paard staan en houd het hoofdstel vast met je linkerhand. Plaats je rechterschouder onder het hoofd en pak met je rechterhand de rechterteugel vast. Je hebt het paardenhoofd nu tussen je handen in.

Haal nu met beide handen de teugels over het paardenhoofd. Pas op dat je de neus niet aantikt met het hoofdstel, hierdoor kan je paard zijn hoofd omhoog gooien.

Leg de teugels richting de schouders op de nek, nooit achter de oren. Schrikt je paard en komt er harde druk op deze plek, dan kan hij een zeer belangrijke plek in zijn hals beschadigen.

2. Bit indoen

Nu de teugels over de hals liggen, heb je je handen vrij voor het hoofdstel. Bij het omdoen hiervan, gaan we eerst het bit indoen.

Pak het hoofdstel bij de bakstukken vast met je rechterhand. Deze bevindt zich nog steeds aan de rechterkant van het paardenhoofd.

Je rechterhand houdt het hoofdstel voor het hoofd, terwijl je linkerhand het bit ondersteund.

Vervolgens leg je het bit tegen de lippen, tussen de boven en onderlip. Houd het bit met je hand horizontaal, zodat deze gemakkelijk de paardenmond inglijdt.

Doet je paard zijn mond niet open? Steek dan de duim van je linkerhand in de mondhoek, terwijl je met je andere vingers het bit horizontaal voor de lippen blijft houden.

Steek de duim alleen op de plek tussen de voorste snijtanden en achterste kiezen waar geen tanden zitten. Anders kan je vinger tussen de tanden belanden. Duw de mondhoek zacht naar achter tot de paardenmond opengaat.

Begeleid het bit naar binnen met links terwijl je rechterhand het hoofdstel meebeweegt.

3. Frontriem

Heeft je paard het bit in, dan pak je met een vloeiende beweging de beide zijden van het hoofdstel vast en begeleid je het kopstuk over de oren. Vervolgens haal je de maantop onder het kopstuk door en over de frontriem heen.

Het kopstuk zit nu achter de oren langs.

Ga kort voor je paard staan en kijk of het hoofdstel aan beide kanten gelijk zit. Zit hij niet scheef? Dan ga je verder met het controleren van de frontriem.

De frontriem loopt van schuin onder het oor, over het voorhoofd heen naar de onderzijde van het andere oor.

Laat deze riem een vingerbreedte onder het oor lopen. Zorg er wel voor dat de oren vrij zijn en niet bekneld worden in de driehoek die het kopstuk en de frontriem samen vormen.

4. Keelriem

Vervolgens maken we de keelriem vast. Deze loopt vanuit het kopstuk door over de wang, in een verticale lijn naar beneden.

Maak het riempje vast, houd hierbij altijd een vuist ruimte tussen de riem en de kaak. Controleer dit door je vuist recht onder het hoofd, tussen de wangen (kaak) en het riempje te plaatsen.

5. Bakstukken en neusriem

We bewegen ons naar beneden richting de neus. Voordat we de neusriem vastmaken, controleer je of de bakstukken goed op lengte zijn.

De bakstukken lopen schuin horizontaal langs de wangen van je paard. Ze zijn bevestigd aan het bit en het kopstuk.

Zijn ze goed op lengte, dan ligt het bit ontspannen in de mond.

Leg twee vingers tussen het kopstuk en de oren. Wordt dit iets naar voren getrokken vanuit het hoofdstel? Dan kunnen de bakstukken iets verlengd worden.

Zit dit erg los en til je het kopstuk zo een paar centimeter op? Dan kunnen de bakstukken iets korter.

Pas de lengte hiervan altijd gelijkmatig aan: zowel aan de linker- als rechterzijde van het hoofdstel!

Vervolgens maken we de neusriem vast. Deze loopt onder het bakstuk door. Let erop dat er twee vingers ruimte tussen de riem en de neus moet passen, anders zit hij te strak.

6. Sperriem

Vaak zit er voor de neusriem nog een dun riempje, de sperriem genaamd. Deze gaat voor het bit langs, over de neus. Ook hier dienen twee vingers ruimte in acht gehouden te worden.

Controleer altijd het gespje van de sperriem. Deze kan gaan prikken of schuren op de zachte paardensnuit.

Laat de gesp daarom altijd één à twee vingerbreedtes onder het neusbeen zitten, waar het iets bewegingsruimte heeft.

Zo schuurt het niet over het harde botgedeelte en niet over de zachte lippen.

Een paard optuigen: oefening baart kunst!

Je paard optuigen is een hele klus. Daarom is het oefenen hiervan belangrijk.

Het gefriemel met de riempjes en het opleggen van het zadel dient zo rustig en vlot mogelijk te gebeuren voor je paard. Dit voorkomt onrust en irritatie.

Maar om dit te bereiken, moet je het hele stappenplan je eigen maken. En dat kost tijd..

Oefen daarom eerst zonder paard, zodat je alle onderdelen rustig kunt bekijken. Gebruik hiervoor een zadelbok of hoofdstelhouder.

Moet je het allemaal nog leren? Vraag dan altijd om begeleiding van een ervaren persoon. Zij kunnen je tips geven en met je meekijken.